Ik had een afspraak buiten de deur. Het regende, dus ik nam de bus. Al lang was ik niet meer met de bus geweest en ik wist even niet meer hoe dat zat met de ov-chipkaart - of je er per se al een moet hebben of niet - maar toen de bus kwam en ik instapte kon ik gelukkig nog steeds een dalkaartje kopen.
De chauffeur stempelde het dalkaartje af en gaf het aan me. Ik stopte het voorzichtig in mijn broekzak, zonder het te kreuken, want ik realiseerde met dat dit wel eens het laatste afgestempelde buskaartje van mijn leven zou kunnen zijn.
In de bus zat een meisje van een jaar of drie met een te grote regenjas aan. Ze ging op haar stoel staan en terwijl we de brug over reden zwaaide ze door het natgeregende raam naar de auto’s die voorbijreden. Ik was bang dat als de bus zou remmen ze van haar stoel zou vallen, maar toen de bus daadwerkelijk remde, ving haar moeder haar op en het meisje lachte onbezorgd want zo is haar leven.
Ik stapte uit op het Velperplein. Een vrouw vergat bijna haar ov-chipkaart uit te checken en ik bedacht me dat dat mij straks ook zal overkomen. Ik opende mijn paraplu en liep richting het Spijkerkwartier, want daar was het waar ik zijn moest.
Mensen passeerden mij, hun gezicht verborgen achter paraplu’s. Toen ik arriveerde op mijn bestemming bleek er niemand te zijn en onverrichte zaken keerde ik mij weer om. Ik wilde nog niet naar huis en liep doelloos door de stad. Op de singels hadden de auto’s haast. Fietsers reden met verbeten gezichten door de regen.
Ik passeerde een school en ik keek naar binnen en zag dat de kinderen fris en enthousiast aan het werk waren. De vakantie had ze zichtbaar goed gedaan. Hun enthousiasme sloeg op mij over en ik liep richting Dudok, bestelde een cappuccino en begon te schrijven. Over mijn leven in Arnhem en hoe doodgewoon het is.
(Gelderlander 10/9/10)