Vanachter mijn bureau keek ik naar buiten, naar de moestuin, en ik dacht na over de afgelopen week. De week waarin de koolrabi bloemkool bleek te zijn. E. ontdekte het. Ze keek uit het raam en riep dat er bloemkolen in de tuin stonden. Ik zei dat dat niet kon, dat het koolrabi was. De koolrabi was mijn zorgenkindje. Er leek onder de grond niets te gebeuren. Ik had al advies ingewonnen bij Frits. Hij had mij gezegd dat de kool zich vanzelf boven de grond laat zien. Ik moest geduld hebben. Nu riep E. dat ze bloemkolen zag. Ze kwam me halen. Aan haar hand liep ik mee naar het raam en we keken de tuin in en tussen de groene bladeren van wat ik meende dat koolrabi was, zaten inderdaad grote witte bloemkolen verstopt. Wonderbloemkolen. Ik ging direct met een mes de tuin in om er een te oogsten.

In de week dat de koolrabi bloemkool bleek, gebeurde er verder niet bijzonder veel. Met het schrijven ging het zo zo. Ik was constant afgeleid door de overhellende stapels op mijn bureau. Ze dreigden om te vallen. Ik stutte ze met het stevige boekwerk Arnhem in de twintigste eeuw ten einde rustig te kunnen schrijven.

Tijdens het stutten viel mijn oog op de Arnhemse Architectuurkaart 1800-1900 die zich opgevouwen tussen één van de stapels ophield. Ik vouwde hem open en begon te lezen. Over de Koepelkerk op het Jansplein en haar klassieke casetteplafond dat rust op acht Ionische zuilen. Over ‘de hoge plint, de kolossale Dorische hoekpilasters en het omlopende fries, dat als een klassieke tempel is gedecoreerd met trigliefen.’ Ik had geen idee waar dit over ging maar de monumentale taal waarin het geschreven was had mij te pakken.

Ik sprak de woorden hoekpilasters en trigliefen hardop uit. Geen idee dat wij die in Arnhem hadden. Na de bloemkool wederom een verrassing.

(Column Gelderlander 2-10-2010)