Vanaf de John Frostburg zag ik kinderen in de Rijn zwemmen. Eerder hadden de autoriteiten gewaarschuwd voor het gevaar van het zwemmen in de grote rivieren. Ze zeggen dat zelfs tussen de kribben de stroming vat op je kan krijgen.
Mijn geweten speelde op. Ik zou naar het strandje moeten gaan waar de kinderen aan het zwemmen waren om ze te wijzen op het gevaar van de rivier, of het anders zeggen tegen hun ouders, die ik wellicht zonnebadend aan de oever van de rivier zou aantreffen.


Maar zouden de kinderen dan naar mij luisteren en als die mensen aan de kant werkelijk hun ouders waren, zouden zij mijn bezorgdheid dan niet opvatten als bemoeienis met iets dat mij niet aangaat, te weten de opvoeding van hun kinderen? Mogelijk dat ze beledigd zouden zijn en er een scène van zouden maken en tegen mij zouden zeggen: ‘Waar bemoei jij je mee. Wijsneus.’ Ik: ‘Ja maar de autoriteiten! Ze waarschuwen ervoor!’ Zij: ‘Ha, de autoriteiten. Daar heb je er zoveel van! En ze waarschuwen overal voor!’ Dat laatste ben ik dan met ze eens en ik zou gedwongen zijn te zeggen: ‘Sorry dat ik u lastig ben komen vallen. Ik zal weer eens snel verder fietsen.’
Aldus had ik mijn geweten gerust gesteld. Ik hoefde geen actie te ondernemen en kon de zwemmende kinderen vergeten.


Ik fietste de brug af. Een volgende dilemma diende zich aan. In een plantsoen zag ik een plasticzak liggen. Ik had eerder gelezen dat een patatbakje er 90 jaar overdoet om afgebroken te worden. Ik dacht: ‘Die plasticzak zal mij overleven als ik hem niet in de vuilnisbak werp.’ Maar ik dacht ook aan de man met de lange haren in het oranje hesje, die ik heel vaak tegenkom als hij - uitgerust met een papierprikker – zwerfvuil verzameld. Ik was hem dankbaar. Hij sust mijn geweten.

(Gelderlander 24/7/2010)