Tussen het werken door kijk ik of het een beetje opschiet met Arnhem Centraal. Via een webcam kun je naar de bouwplaats kijken. Ik zie één van de perrons. Ernaast ligt een stapel dwarsbalken van de perronoverkapping. Er hangt een kabel van een hijskraan roerloos boven. Er gebeurt niets. Ik begin mij zorgen te maken. We willen in september wel gewoon weer met de trein kunnen. Ah wacht, nu komen er bouwvakkers in neongele hesjes aanlopen. Ze kijken even naar de stapel dwarsbalken. Misschien dat ze er even eentje aan de kabel kunnen hangen. Ze doen het niet. Ze lopen weer het beeld uit.

Dit schiet zo niet op. Die kabel hangt daar maar wat. Nu rijdt er dan een hoogwerker voorbij. Er staan bouwvakkers bovenop. Anderen dan die we net zagen. Ze zouden eens die dwarsbalken kunnen bevestigen. Niet dus. Ze rijden het beeld al weer uit. Nergens zijn nog mannetjes in gele hesjes te bekennen. Ik denk dat ze aan de koffie zitten.
Toen ik nog studeerde, hielden we ook vaak koffiepauze.

Zaten we eenmaal aan de koffie dan zei iemand: ‘Hartenjagen?’. Na het hartenjagen gingen we boodschappen doen. We moesten zakken chips kopen om onze collectie voetbalflippo’s compleet te krijgen. Terug van het boodschappen doen, was het weer tijd voor een rondje koffie. Tegen de tijd dat de tentamens naderden had je spijt. In twee weken tijd moest je al dat koffiedrinken zien goed te maken. Dat is niet altijd goed afgelopen. Ik scoorde nog wel eens een vijfje. Dan kon ik alles in de zomer weer opnieuw doen.

Ik kijk nog eens naar de webcambeelden. Er komen ineens van alle kanten bouwvakkers aanlopen. Ze krioelen als mieren over de bouwplaats heen. Ze zetten balken op hun schouders, bedienen hijskranen, klimmem op ladders. Ik zet met een gerust hart de computer uit. Tijd voor een kopje koffie.

(Gelderlander 7/8/2010)